[Contact.Links.info.] [Beleef Opsterland.] [Downloaden.] [Zoek op Site.] [Gratis.]

Lanterfanten.

Wandelen.

Hoofdstraat.

Lanterfanten=.

Overnachten.

Culinaire avonturen.

Beleefplaats.

Expositie.Galerie.

Evenementen.

Cultuur.Historie.

Arrangementen.

Fietsen.

Waarom Wandelen.

Musea Opsterland.

Antiek-Curiosa.

Winkels.

B.T.B.

Zoek op Site.

Wellness.

Rondleidingen.

Slowness.

Langzaam.

Stadige Streek.

Lanterfant Tips.

Waldpyk.

Tijd voor nu.

Citaten Slowness.

Stilte is.

T.I.P.Beetsterzwaag.

Onthaasten.

Gratis.

E-Book.

Slow Region.

Nietsdoen

Cultbee.

Hara Hachi bu.

Saai.Interessant.

Reeen kijken.

Discipline om te Lanterfanten.

 
Historische Fruitboomgaard Beetsterzwaag .
Met vermelding van alle aanwezige rassen en een plattegrond van de Boomgaard.
_________________________________________________________________________________
 
 
 
 
_________________________________________________________________________________
 
 
De fruitboomgaard achter het Gemeentehuis stamt ongeveer uit 1850.
Destijds genoemde appelhof was onderdeel van de tuin van de notariswoning, het Andreaehuis, Hoofdstraat 84, gebouwd omstreeks 1830.
De bouw van het Lycklamahuis, Hoofdstraat 80, stamt ook uit die periode. De eerste bewoners waren jonkheer Jan Anne Lycklama à Nijeholt en freule Ypkje Hillegonda van Eysinga.
De rijke adellijke families in Friesland waren in die tijd grote afnemers van park- en fruitbomen.
Rond 1867 en vele jaren daarna komen we bestellijsten van de fam.Lycklama à Nijeholt tegen in de boekhouding van boomkwekerij “De Iephof” te Burgum. Deze boeken liggen nu ter inzage in het documentatie centrum Tresoar in Leeuwarden. De Iephof was de oudste boomkwekerij van Nederland, opgericht in 1685. Inmiddels 9 generaties lang.
 
In 1926 wordt het perceel tuin van notaris Andreae verkocht aan de familie Lycklama à Nijeholt. In de boeken van de Bosgra’s komen we niet alleen fruit- en parkbomen tegen, maar ook lijsten van diverse soorten groenten die in de overtuin van de familie Lycklama à Nijeholt werden verbouwd. De oudste kas, de druivenkas (lessenaarskas) werd gebouwd in 1869.
 
De laatste bewoners van het Lycklamahuis waren Mevr. Anna Grundtmann Lycklama à Nijeholt en jonkheer Joan de Jonge van Zwijnsbergen, gehuwd in 1930. Het is duidelijk dat dit echtpaar de traditie van het verbouwen en oogsten van groenten en fruit heeft voortgezet. In de overtuin hebben destijds diverse fruitbomen en bessenstruiken gestaan. De laatste twee appelboompjes werden rond 1989 gekapt omdat ze nagenoeg aan het eind van hun leven waren en niet meer pasten in de parkachtige sfeer van deze tuin.
Gezien de gevonden bestellijsten is het best mogelijk dat de fruitbomen rond 1869 werden geplant in de overtuin en pas vele jaren later in de boomgaard achter het Lycklamahuis.
 
Wat betreft de tuinlieden komen we de namen tegen van Jan van den Akker en Sytse Annema. Ze woonden in de al van ouds bij het Lycklamahuis behorende tuinmanswoning Hoofdstraat 78. De laatste tuinman was Geert Hemminga. Op 12 jarige leeftijd kwam hij in dienst van de bewoners van het Lycklamahuis. Na 50 jaar trouwe dienst, de laatste jaren in dienst van de gemeente Opsterland, ging Hemminga in 1981 met pensioen. Mede door zijn deskundige zorg en aandacht is dit erfgoed in stand gebleven. Tot die tijd waren de tuinen niet opengesteld voor publiek.
Er heerste orde, rust en netheid.
 
Na het overlijden van de laatste bewoner van het Lycklamahuis worden in 1971 de historische gebouwen en tuinen verkocht aan de Gemeente Opsterland voor het bedrag van 385.000 gulden.
 
In de loop der jaren werd de fruitboomgaard achter het Gemeentehuis diverse malen gerenoveerd, met name in 1989. De nieuwe aanplant kreeg vervolgens weer onvoldoende aandacht en de bomen kwijnden zienderogen weg. In 2006 zijn er wederom zorgen over de toekomst van de boomgaard.
In 2008 kunnen twee dames van de parkenrondleiding in Beetsterzwaag dit niet langer aanzien en komen in actie. De Gemeente is ervan doordrongen dat er iets moet gebeuren.
Het systematisch onderhoud van de boomgaard is een vereiste om de zaak gezond te houden. De Gemeente en de dames Lies Scholte en Susan Kroese gaan om tafel en uiteindelijk komt er een gedegen plan voor behoud van de boomgaard.
 
In 2008 heeft de Gemeente de Notariskoepel gerestaureerd en daarna is het zover dat de fruitboomgaard weer in ere wordt hersteld. Op woensdag 18 maart 2009 , de Nationale Boomplantdag, zijn leerlingen van CBS De Paedwizer en OBS De Trime uitgenodigd de nieuwe boompjes te planten. Educatie en restauratie komen hier samen.
 
Door onzorgvuldig maaiwerk werden in 2010 diverse fruitboompjes beschadigd. Inmiddels zijn deze boompjes vervangen en staat de boomgaard er prima bij.
 
 
Voor meer informatie:
 
Mw. S. Kroese, tel. 0512-385755 of email: rskroese@home.nl of
Mw. L. Scholte, tel 0512-381774 of email: scholte7@xs4all.nl
 
Lijst van oude hoogstamrassen                       plattegrond boomgaard
 
 
 
 
 
 
 
 
1 & 2 Notarisappel.
Eén van de mooiste appels om te zien, bovendien een prima hand- en moesappel.
Oogsttijd 1e helft oktober, vroeger een goede bewaarappel maar tegenwoordig snel melig (weersinvloeden).
Omstreeks 1880 ontstaan als toevalszaailing bij notaris Van den Ham te Lunteren. Toen in 1899 te Ede een tentoonstelling van zaailingvruchten werd gehouden sleepte deze een van de hoogste onderscheidingen in de wacht. Vanaf die tijd is de soort algemeen verspreid in Nederland.
De boom groeit zeer sterk en vormt een grote brede kroon. Ze draagt laat maar regelmatig en ruim. Vooral voor droge gronden is de Notaris een goed ras. Deze smakelijke appelsoort bezit nog altijd een zekere faam onder het oudere publiek. Sinds de jaren zestig niet meer bij de groenteboer te koop.
In de buurt van de Notariskoepel staan 5 verschillende soorten pruimen. Pruimenbomen kunnen zelfbestuivend zijn, of een bestuiver nodig hebben om tot vruchtzetting te komen. Zelfbestuivende rassen zullen grotere vruchten geven wanneer er een bestuiver in de buurt staat. Pruimen houden van een kalkrijke standplaats in de volle zon. De bekende fruitproductiegebieden zijn meestal op zwaardere kleigronden gelegen, maar ook op zandgrond zijn pruimen te kweken. Door eens per jaar kalk toe te dienen en meerdere malen per jaar koemestkorrels of compost te geven houdt u de bomen gezond.
3. Italiaanse Kwets Vroeg vruchtbare keukenpruim.
Zelfbestuivend. Gebruikstijd: tweede helft september In een oude boomgaard hoort ook een kwets te staan. Deze vruchten zijn vaak ondergewaardeerd. Enkele rassen zijn de Duitse-, de Hongaarse- en de Italiaanse Kwets. De Italiaanse verdient de meeste aanbeveling. Alle kwetsen zijn langwerpige blauwe tot blauwzwarte vruchten, aan de einden wat spits toelopend. Bij volledige rijpheid zijn ze ook geschikt als dessertpruim en voor jam.
4. Dubbele Boerenwitte.
Zeer oude Nederlandse dessertpruim. Ook wel genoemd Friese Gele.Werd in 1740 al beschreven door J.H.Knoop, gebruikstijd: half augustus.
Pruim met sappig vruchtvlees en een zoet, fijn aroma. Bijzonder geschikt om in te maken. De vrucht is middelgroot en rond, geelwit van kleur en bij volle rijpheid wasgeel. Deze pruim komt veel voor in oude boomgaarden. Vatbaar voor spint. Groei van de boom vormt een mooie bolronde kroon.
5. Mirabelle de Nancy.
Wordt in de volksmond ook vaak gele kroosjes pruim genoemd.
De goed vruchtbare bomen produceren kleine, geelroze pruimen.
Het vruchtvlees is vast, sappig en zeer gesuikerd. De steen van de
Mirabelle laat goed los. Plukken kan rond half augustus. De hoogte is na 10 jaar 4 meter (max. 6 meter).
Bloemkleur is rose. De boom is winterhard en zelfbestuivend. Als er in een
jaar veel vruchten aan een boom zitten wordt deze uitgeput waardoor het
daarop volgende jaar weinig of geen vruchten aan de boom komen. Dit is te
voorkomen door een goede vruchtdunning toe te passen.
 
6. Rode Eierpruim. Zeer oude Nederlandse pruim.
Geschikt als dessert- en keukenpruim.
Rijptijd: eind augustus – begin september.
Herkomst is onbekend maar in 1758 al door Knoop beschreven. Zoals de naam al zegt, heeft deze pruim grote tot zeer grote ronde, eivormig / langwerpige vruchten (lijkt op de Reine Victoria). De pruim is sappig en heeft zacht geel vruchtvlees. Pit laat gemakkelijk los. Vruchten die te weinig zon hebben gehad blijven smakeloos.
De boom groeit sterk en vraagt een ruime, luchtige en zonnige standplaats.
 
7. Reine Claude Verte.
Zeer oude dessertpruim, ook wel de edelste der pruimen genoemd.
Waarschijnlijk het oudste pruimenras uit de Reine Claudegroep. Het ras stamt van voor de zestiende eeuw en zou genoemd zijn naar Claude van Frankrijk, de echtgenote van koning Frans I van Frankrijk.
Het is een relatief kleine pruim. De vruchten zijn rond, hardgroen tot geel van kleur, sappig en vlezig. Het vruchtvlees smaakt zoet en aromatisch. De pit laat gemakkelijk van het vruchtvlees los. De bomen dragen pas op latere leeftijd en zijn daarna matig en onregelmatig productief. De bloemen zijn niet zelfbestuivend en moeten worden bestoven met het stuifmeel van andere pruimenrassen.
De aanvoer vindt plaats in augustus en september.
 
8. Lemoenappel.
Deze uitmuntende appel is een goed bewaarbare handappel, ook te gebruiken als moesappel. Goed ontwikkelde vruchten kunnen vrij groot worden, zodat de Lemoenappel tot de grote appels kan worden gerekend.
De boom is groot en breed en groeit het beste op zandgronden.
Plukrijp oktober, consumptierijp van november tot januari.
Herkomst: Rond 1885 door notaris van den Ham te Lunteren met veel moeite gekweekt uit zaad. Vermoedelijk een zaailing van de Schone van Boskoop. De boom is indertijd geïntroduceerd als een verbeterde Goudrenet, omdat ze gezonder zou zijn.
 
 
9. en 10. wichters.
Smakelijke gele pruimpjes met bruine vlekjes. Rijptijd is eind augustus.
Ze zijn kenmerkend voor de Friese Wouden. De kleigronden zijn minder geschikt voor deze soort. Volrijp zijn ze sappig en zoet met een muskusachtig aroma. Ze hebben een losse pit.
Traditioneel wordt de soort door wortelopslag verspreid van generatie op generatie. De wichter wordt, in tegenstelling tot vrijwel alle fruitrassen, dus niet geënt. Evenals bij de "boeren"-soorten staan de bomen vaak langs slootkanten en op verloren hoekjes.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
11. Kruidenierspeer (ook wel Oomskinderpeer genoemd).
oude Nederlandse handpeer, gebruikstijd: augustus, snel melig.
Vroege smakelijke handpeer, waarschijnlijk afkomstig uit Zuid-Holland en verspreid door de familie Kruidenier. Hoe hij aan de naam Oomskinderpeer komt, is onduidelijk. Wellicht dat door de zoete, verder neutrale smaak deze peer in de smaak viel bij jonge neefjes en nichtjes van oom Kruidenier?
De boom is fors en kan op alle grondsoorten aangeplant worden, maar bij voorkeur kleigrond.
 
 
12. Spiegelpeer Oude stoofpeer. Ook wel genoemd, Baronpeer, Valse IJsbout.
Waarschijnlijk van Groningse oorsprong (1916)
De peren zijn geelgroen. Om de steel vaak wat zwarte roestplekken waardoor snel bederf kan ontstaan. Daarom ook wel genoemd rotneus. Na lange bewaring geschikt als handpeer.
De boom wordt vrij groot en vormt sterk gedraaide zijtakken. Oude bomen geven goede opbrengst, maar vraagt regelmatig verjongingssnoei.
Weinig schurftgevoelig.
Groeit op bijna alle gronden en goed voor particuliere teelt.
De vrucht lijkt op de Gieser Wildeman. Kookt minder goed rood maar smaakt wat zoeter dan de Gieser.
Pluktijd: oktober
Gebruikstijd: november tot maart.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
13. Swaanappel.
Zeer oude en vrijwel verdwenen moesappel.
Pluk- en gebruikstijd: september – oktober.
Al in 1758 door Johann Hermann Knoop beschreven, waarvan in het Groningse Westerkwartier nog enkele bomen zijn aangetroffen.
Forse gezonde en productieve boom.
Grote egaal groene vruchten, scherpzuur.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
14. Schone van Iephof.
Gekweekt in 1943 door Anne Bosgra kwekerij te Bergum.
Knappend sappige handappel, prima van smaak. Voldoet op alle grondsoorten. Uit de teelt verdwenen omdat haar productiviteit indertijd te laag bleek.
Goede appel voor de particulier.
Plukrijp: vanaf oktober (afhankelijk van de standplaats)
Bewaarbaarheid: 4 tot 6 weken, in de koeling veel langer.
 
 
 
15. Doeke Martens.
Oude Friese handappel, reeds bekend in 1758.
Verdwenen geacht maar in 1999 reageerde de bewoner van een boerenplaats (Heechhiem) te Goutum (Fr) op een oproep met de mededeling dat op zijn erf nog een Doeke Martens stond. De vrucht is klein tot middelgroot, regelmatig platrond van vorm en heeft een korte steel. Het vruchtvlees is wit en zacht.
De appel is groen en kleurt bij rijping lichtgeel.
De smaak is aangenaam fris zuur. Mogelijk uit de teelt verdwenen, omdat de appel vrij klein is en slechts enkele weken bewaarbaar.
Rijpt tweede helft september.
 
16. Dirkjespeer.
De Dirkjesperen zijn vroege zomerpeertjes. Zeer oude Nederlandse hand- en keukenpeer. In het voorjaar grote/dikke vruchtknoppen.
De rijpe peer heeft een gezond blosje. De Dirkjesperen hangen in trosjes, zijn ongelijk van grootte en ongelijk rijp. Opvallend is dat in de kelk een bruin oog lijkt te zitten. Dit zijn restanten van de bloesem. De nogal ruw gevormde kelk is vatbaar voor wormsteek aantasting.
De boom draagt goed en groeit snel.
Gebruikstijd augustus / begin september.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
17. Groninger Kroon.
Vrij goed te bewaren handappel.
Omstreeks 1875 gevonden door S.H.Brouwer in Noordbroek in de tuin van familie Engels en genoemd naar zijn echtgenote Jantje Kroon.
Het is een matige groeier en goed geschikt voor zandgronden.
Middelgrote en hoge groenrode vruchten met een zachtzure smaak, pittig aroma en rijk aan vitamine C. Gevoelig voor meeldauw.
Er kan geoogst worden omstreeks eind oktober en bewaard tot februari.
 
 
 
 
 
 
18. Pondspeer (Harm Harkespeer) Oude Franse stoofpeer.
Is vooral in Groningen vroeger veel aangeplant, vandaar de naam Harm Harkespeer. De naam is ontleend aan de omvang van de vruchten die tot 500 gram zwaar kunnen worden.
Een opmerkelijk keiharde, grote en ook lekkere stoofpeer. Na stoven kleurt het vruchtvlees fraai donkerrood.
Oogst vanaf eind oktober.
Bewaartijd: tot eind januari, op zeer koele plaatsen kan dit nog wat verlengd worden.
 
 
19. Rode Tulpappel (synoniem Rode Joop).
Zeer oud Gronings appelras, vroege handappel ook wel Zure Zomer Paradijs genoemd.
De naam tulpappel kan verklaard worden door de vrucht omgekeerd aan de steel vast te pakken, waardoor het een prachtige rode tulp lijkt.
Het wordt niet zo'n hele grote boom en is weinig ziektegevoelig.
Pluk- en consumptietijd is augustus, snel melig.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
20. Dokkumer Nije .
Ontdekt als zaailing omstreeks 1925, droeg voor het eerst omstreeks 1933. Late hand- en moesappel.
De 'Dokkumer Nije' is het tweede in Fryslân gekweekte appelras waar iets van bekend is. Het is uit een pitje ontwikkeld door H.Dijkstra te Dokkum. Deze appel is groot tot zeer groot. Het ras moet ergens in de jaren twintig van de vorige eeuw zijn ontstaan.
De 'Dokkumer Nije' rijpt eind september en heeft enigszins taps toelopende vruchten. De vrucht is niet egaal rond, in het oog springend is het vijfkantige uiterlijk. Over vrijwel de gehele vrucht vinden we rozerode tot bijna paarsachtige strepen en vlekken. De appels laten zich gedurende enkele maanden bewaren. Rond begin december moeten ze wel opgebruikt zijn. Het vruchtvlees is nogal zuur van smaak, vandaar dat deze appel meestal voor de moes wordt gebruikt.
 
 
 
 
 
21 en 22. mispels (mespilus germanica) geplant in najaar 2010 
De mispel is haast een museumstuk; je ziet ze nauwelijks meer en ze worden nog maar zelden geplant. Jammer, want de struik bloeit mooi en geeft nog lekkere vruchten ook.
De mispel kan ongeveer 4,5 m hoog worden. Bloeit in het voorjaar uitbundig (mei/juni) met witte bloemetjes, waarna de vrucht zich ontwikkelt. De takken zijn grillig van vorm en de struik heeft de neiging om te vallen. Wordt vaak geënt op meidoorn als onderstam.
 
 
 
 
 
23. Winterrietpeer Zeer oude Nederlandse stoofpeer.
De naam ‘winterriet’ komt van het opslaan in kuilen op rieten matten tijdens de winter.
De winterrietpeer is een langzaam groeiende perenboom met opgaande takken, kan door de langzame groei ook goed als struik, halfstam of leivorm gebruikt worden. Dit is een goede gezonde peer mits op goed drainerende grond gepoot. Kan ook goed op droge zandgronden gepoot worden.
Half mei komen de witte bloemen met roze meeldraden te voorschijn, is zelfbestuivend en heeft dus geen andere bomen nodig om vruchten te dragen.
Bewaarbaar: van half oktober tot in februari
Uitstekende stoofpeer, kleurt bij het koken kaneelrood.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
24. Zoete Campagner (Blauswiete).
Zeer oud Nederlands ras. Een duurzame zoete stoofappel. In Friesland wordt dit type vruchten ook wel potappels genoemd. Ze dienen tot het bereiden van stamppot met zoete appeltjes, oftewel hete bliksem.
Bij traditionele bewaring, dus zonder kunstmatige koeling, blijven de vruchten tot in april goed. De enigszins platronde vruchten rijpen behoorlijk laat, over het algemeen moet niet voor eind oktober geplukt worden.
Het is verleidelijk de vruchten reeds veel eerder te oogsten vanwege het fraaie uiterlijk. Tegen de tijd dat ze echt klaar zijn ligt er een blauwachtige waas over de het oppervlak. Vandaar ook de Friese naam Blauswiete.
 
 
 
 
 
 
25.Zwijndrechtse wijnpeer.
Zelfbestuivende handpeer. Pluktijd vanaf midden oktober, niet lang houdbaar.
Aangenomen wordt dat dit ras in ons land is ontstaan, wellicht via verspreiding door kwekers uit Boskoop. Vroeger vrij veel aangeplant door beroepstelers, met name op de Zuid-Hollandse eilanden. Deze peer stelt weinig eisen aan de grond, draagt veel en smakelijke vruchten en heeft een hoge resistentie tegen ziekten.
De schil is oorspronkelijk bronsgroen van kleur. Bij rijpheid kleurt deze geel met aan de zonzijde een bronskleurige blos.
Het vruchtvlees is bij rijpheid wit, sappig, zoet en heeft een fijn aroma. Bomen groeien vrij sterk en kunnen een flinke omvang bereiken. Deze peer is geschikt voor aanplant op elke grondsoort. De forse boom is een sieraad in de fruitboomgaard.
 
26. Winterbergamot (Hjerstbarremot).
Zeer oude Stoofpeer / bij volle rijpheid handpeer. Pluktijd vanaf eind oktober.
Er bestaan diverse typen bergamottes. Vrijwel allemaal hebben ze de karakteristieke kogelronde of platronde vorm. Van de wintervariant kennen we de lang gesteelde en kort gesteelde.
In Fryslân zijn tot nog toe vrijwel steeds die met de korte steel aangetroffen. Deze soort is zeer gezond en robuust.
Ziekten komen zo goed als niet voor. Als stoofpeer kunnen ze in november gebruikt worden.
Gedurende de bewaring verandert de kleur van grauwgroen en donkergroen naar lichtgroen tot lichtgeel.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
27. Bonne Louise d’Avranches.
Franse handpeer. Plukrijp eind september, consumptierijp oktober.
In 1778 gekweekt door een fransman op zijn landgoed te Avranches en naar zijn vrouw Louise genoemd. Een van de allerfijnste handperen. Ook geschikt als stoofpeer en gebakspeer. De forse vrucht kleurt van geelgroen tot bruinrood.
Sappig, harmonisch zoetzuur, zeer aromatisch.
Vraagt een niet te droge standplaats en is zeer geschikt voor een beschutte moestuin.
 
 
 
28. Juttepeer.
De juttepeer is een handpeer. Rijptijd half september, slecht bewaarbaar
Een van de meest bekende oude perenrassen.
Ze is al enkele honderden jaren bekend. De vruchten zijn vrij klein van stuk en stompkegelvormig. De schil is relatief dik en ruw, donkerbruin en ongeschikt voor consumptie.
Na schillen vinden we een half smeltend peertje met een heel bijzondere, harmonieus zoetzure smaak.
De boom wordt zeer groot en hoog en kan een leeftijd van ver boven de honderd bereiken. Er bestaan exemplaren waarvan de ouderdom op 150 jaar wordt geschat.
 
 
 
 
 
 
 
29. Sterappel.
Plukrijp: oktober, consumptie tot de kerst.
Deze waarschijnlijk bekendste oude handappel is oorspronkelijk afkomstig uit de buurt van Maastricht. Na rijping bijzonder fraaie donkerrode vruchten met witte lenticellen (pori) die de appel het uiterlijk van een vrucht met sterretjes geeft. Ook bij doorsnijden in de breedte vormt de tekening van het klokhuis een fraaie rode ster. De vrucht is uitsluitend op hoogstam te telen en de boom wordt pas laat vruchtbaar.
Het fraaie uiterlijk wordt pas na een speciale arbeidsintensieve rijping procedure bereikt (op stro uitspreiden en regelmatig keren om de vruchten mooi te laten kleuren. Dit en de late vruchtbaarheid zijn de voornaamste reden waarom de sterappel, ondanks haar populariteit bij het grote publiek, geheel uit de handelsteelt is verdwenen.
 
 
30. Bezy van Schonauwen.
Wellicht rond 1760 uit zaad gewonnen op het landgoed Schonauwen, tussen de dorpen Schalkwijk en Houten in de provincie Utrecht. In ons land is zij vrij algemeen verspreid.
Deze peer is altijd gemakkelijk te herkennen aan de eigenaardige kleur en de typische vorm. Van onderen vrij dik, buikig en breed, lang en puntig. De schil is opvallend glad en gaaf, grasgroen van kleur, aan de zonkant iets bruinachtig, bezet met zeer kleine roestige stipjes. Tegen het rijpen wordt de vrucht licht groengeel. De boom draagt bijna jaarlijks en heeft weinig last van ziekten. Slappe takken en enigszins hangende kroon. Pluktijd: half oktober, tijd van rijpen november-december.            
 
 
31.Princesse Noble.
Dit is een heerlijke handappel.
Zeer oud, mogelijk Nederlands ras, dat rond 1700 al bekend was in Friesland en Groningen “Franse Kroon” genoemd.
Vrij harde, goed smakende appel met een zeer gewaardeerd zoet/zuur gehalte en een kruidig aroma. De opbrengst is matig omdat de appel vrij klein is en gemakkelijk afvalt. Wordt na het plukken gauw zacht.
Plukrijp: oktober, consumptierijp november - januari.
 
32. Goudbal.
Fraaie ronde zomerhandpeer, streekras in de noordelijke provincies.
Plukrijp: eind augustus, slechts kort houdbaar.
Bij rijping wordt ze prachtig egaal lichtgeel van kleur met lichte grijsbruine stipjes. Om de steel wat roest. Moet eigenlijk als de peer begint te kleuren direct van de boom gegeten worden.
Snel melig. Onrijpe vruchten zijn prima geschikt als stoofpeer.
De boom groeit sterk en draagt flink.
 
 
 
33. Zomer Zijden Hempje (Kruse Notsje).
Klein rood handappeltje ook wel Streepkesappel genoemd. Een rare naam voor een appel. Door mondelinge overlevering en het niet kennen van de Franse taal is Krúsnotsje waarschijnlijk uit Quisinot ontstaan. Het is een voortreffelijk middelvroeg klein zomerappeltje.
Er zijn drie soorten: Zomer- Herfst- en Winterhempjes.
De bomen van alle drie types zijn steile groeiers, middelgroot tot groot en gezond en dragen rijk.
Ze voldoen op de meeste grondsoorten, behalve op natte veengrond. De vruchten rijpen ongeveer eind augustus en zijn slecht bewaarbaar.
 
34. Zoete Ermgaard.
Goed bewaarbare hand/stoofappel van uitstekende kwaliteit, ook geschikt om te
drogen. Zeer oud Nederlands ras, in het Noorden ook wel “Grijze Kraai” of
“Blauwzoetje” genoemd.
Plukrijp: oktober. Fraaie en zeer lang bewaarbare vrucht.
Goede zoete kookappel, ook als handappel geschikt.
Lichtgroen met veel rood. Oude Nederlandse soort.
Zeer gezonde boom, geschikt voor alle grondsoorten.
De appel hangt stormvast aan de boom.
Boom wordt te groot voor de meeste moestuinen.
 
35. Williams Bon Chrétien.
Van oorsprong zeer oude Engelse handpeer (1770).
Wereldwijd de meest geteelde peer.
Gebruikstijd: begin september.
De vrucht is middelgroot, groen van kleur met roestvlekjes. Bij rijpheid geel van kleur. Het vruchtvlees is wit, sappig, zoetzuur en aromatisch. Ook geschikt als inmaak- en stoofpeer.
Draagt vroeg, rijk en regelmatig.
Deze peer is slechts enkele weken houdbaar. Het advies is daarom tijdig plukken en de vruchten niet geel aan de boom laten worden.
 
 
3. De Bramley is een oude Engelse moesappel. Een groene appel met een rode blos en vanwege het hoge zuurgehalte eigenlijk alleen geschikt voor het maken van appelmoes of als ingrediënt van appeltaart. De eerste Bramley's Seedling groeide uit een paar pitten die in 1809 door een jong meisje, Mary Ann Brailsford, in de tuin achter haar huis op 75, Church Street te Southwell in Engeland waren geplant. Het huis met tuin werd in 1846 verkocht aan Matthew Bramley. Een lokale kweker, Henry Merryweather, nam in 1856, een aantal stekken van de boom. De eerste appels van de nieuw gekweekte bomen verkocht Merryweather in 1862. Omdat Bramley er op stond dat de appels zijn naam zouden dragen, werd het Bramley's Seedling. De boom wordt zeer groot en breed, daarom alleen geschikt voor boomgaarden en grote tuinen. Plukrijp 2e helft oktober. Goed bewaarbaar.
 
6. Oude Mispel.
(bij bruggetje achterin de fruitboomgaard).
Drieduizend jaar geleden werd de mispel al in de omgeving van de Kaspische Zee (Noord-Iran) aangeplant en kwam 700 v.Chr. naar Griekenland en 200 v.Chr. naar Rome. De mispel is door de Romeinen verder verspreid. De mispel werd in de Middeleeuwen vooral in Frankrijk en Duitsland aangeplant en in Nederland in kloostertuinen.
De Mispel kwam in Duitsland verwilderd veel voor in de bossen, waardoor men dacht dat de boom daar autochtoon was, hetgeen in de naam germanica nu nog tot uitdrukking komt.
Het bijzondere van de mispel blijkt uit het gezegde 'zo rot als een mispel'. De vruchten moeten inderdaad lang aan de struik blijven hangen; dit komt uiteindelijk de smaak ten goede. Omstreeks oktober kan je gaan oogsten. Heb geduld; laat er eerst een paar lichte nachtvorsten overheen gaan, voordat u oogst. De vorst zorgt ervoor dat het vruchtvlees zacht wordt. Daarna is het raadzaam de vruchten een tijdje op een koele donkere plaats te bewaren. Het vruchtvlees wordt dan bruin, zacht en zoet. Ze lijken dan wel rot te worden, maar zijn dit beslist niet! De mispel kan nu zo uit de hand gegeten worden, door hem open te breken en het vruchtvlees eruit te zuigen. Een mispel is sappig met een zoetzure smaak. Er kan heerlijke jam of gelei van worden gemaakt. De mispel zit vol vitamine C, en is goed voor de maag en spijsvertering.
Vroeger deed een mispeltak heksen vluchten en een kruisje, gesneden van mispelhout beschermde de baby in de wieg, eveneens het vee in de stal. Als wichelroede brachten de gevorkte takjes geluk. Tegenwoordig zijn er liefhebbers die van de mispels wijn maken.
 
12. Lemoenappel.
Deze uitmuntende appel is een goed bewaarbare handappel, ook te gebruiken als moesappel. Goed ontwikkelde vruchten kunnen vrij groot worden, zodat de Lemoenappel tot de grote appels kan worden gerekend.
De boom is groot en breed en groeit het beste op zandgronden.
Plukrijp oktober, consumptierijp van november tot januari.
Herkomst: Rond 1885 door notaris van den Ham te Lunteren met veel moeite gekweekt uit zaad. Vermoedelijk een zaailing van de Schone van Boskoop. De boom is indertijd geïntroduceerd als een verbeterde Goudrenet, omdat ze gezonder zou zijn.
 
 
13. Zwarte moerbei.
Tegen de oostgevel van het Lycklamahuis staat een zwarte moerbei. De boom zou tussen 1900 en 1910 geplant kunnen zijn en heeft nu een stamomtrek van circa 65 cm en een hoogte van 5 meter.
De moerbeiboom heeft een donkergroen hartvormig blad.
Na de onopvallende bloei vormt de moerbei vruchten, die van groen naar rood naar zwart verkleuren. Vogels vinden de moerbeien erg lekker. In de volksmond wordt daarom de moerbei ook wel “dronken vogeltjes boom” genoemd. De moerbeiboom behoudt nog tot ver in het jaar zijn blad. In het voorjaar duurt het een flink tijdje voor de boom weer blad gaat vormen.
Bij de bomenstichting te Utrecht staat deze moerbei op de monumentenlijst van bomen omdat het een bijzonder ras is. Omdat de boom zeer oud kan worden (500 jaar of ouder) komen er op oude boerenerven en in kloostertuinen nog zeer oude exemplaren voor. Hoe ouder de boom is, hoe grilliger en schever de groeiwijze wordt. In Dokkum staat bij een kerk een moerbei van 400 jaar.
De moerbei is een oude cultuurplant in Oost-en West-Azië. De bladeren van de moerbei zijn het favoriete voedsel voor de zijderups. Zijde was in China ooit één van de belangrijkste exportproducten. Ook in Zuid-Europa werd hij voor dit doel geteeld.
Het woord morus is afgeleid van de Griekse naam moron voor de zwarte moerbei. De Romeinen hebben voor zijn verspreiding in Europa gezorgd.
Voor meer informatie:
 
Mw.S.Kroese, tel. 0512-385755 of email: rskroese@home.nl of
Mw. L. Scholte, tel 0512-381774 of email: scholte7@xs4all.nl